Direct naar Hoofdmenu / Zoekveld
Home / Thema's en doss... / Bestuur / "Gemeenten moet...

"Gemeenten moeten niet lichtzinnig losstaande projecten subsidiëren"

"Gemeenten moeten niet lichtzinnig losstaande projecten subsidiëren, maar kijken naar de lange termijn van projecten. Het is belangrijk om voort te borduren op bestaande projecten die het in de praktijk goed doen. De eerste vraag die gesteld moet worden bij de financiering van een nieuw initiatief is dan ook: Welk project loopt goed en hoe kunnen we dat versterken en verduurzamen?" Aan het woord is onderzoeker Daniel Giltay Veth. Hij deed onderzoek naar de projectencarrousel en presenteerde zijn resultaten tijdens de conferentie 'Verduurzamen van succesvolle projecten; Aanpak van de projectencarrousel' op 3 december 2009. "Het is van belang dat gemeenten kritisch kijken naar welke projecten er al bestaan. Ik pleit voor de methode 'nieuw voor oud': als er een goed nieuw project wordt ingevoerd moet het oude project dat niet werkt worden afgeschaft. Daarvoor is wel bestuurlijke moed nodig. De grootste fout die bestuurders in Nederland maken is het niet maken van keuzes. Hierdoor ontstaat een stapeling van beleid."

Aanbevelingen en criteria

Naar aanleiding van het onderzoek heeft Giltay Veth een aantal praktische aanbevelingen voor gemeenten bij nieuwe projecten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar potentiële verduurzaming van de projecten voor subsidie te verstrekken. Gemeenten zouden een ‘verduurzamingsclausule’ als voorwaarde kunnen stellen voor subsidieverlening. “Gemeenten moeten niet klakkeloos geld overmaken. Incidenteel geld moet vaker ingezet worden als investering in datgene wat goed draait”, aldus Giltay Veth. Daarnaast formuleert hij nog twee andere criteria voor het verduurzamen van een project: “Vormt het een meerwaarde ten opzichte van andere projecten en is het effectief voor de deelnemers?” Ook geeft Giltay Veth aan dat het belangrijk is welke methodiek het project gebruikt: “Voor het onderzoek hebben we veertien projecten onderzocht met als doelgroep de groep die aan onderkant van de samenleving hangt. Opvallend was dat al deze projecten gemeenschappelijke kenmerken hadden voor wat betreft hun methodiek. De projecten werkten allemaal vanuit 1 begeleider. In de projecten staat het integrale plaatje van de deelnemer centraal. Vanuit het individu werd gekeken naar het geheel.” Als laatste noemt Giltay Veth het draagvlak van het project als criterium: “Het project moet niet een geïsoleerd project zijn maar een samenwerking tussen meerdere projecten, een onderdeel van de strategische alliantie.”

Succesfactoren

Voor het onderzoek was een aantal doelstellingen geformuleerd. Giltay Veth staat positief tegenover het resultaat: “Het belangrijkste doel van het onderzoek was om het onderwerp breed op de agenda te krijgen, dat is gelukt. Er zijn verschillende congressen geweest en publicaties naar aanleiding van het onderzoek. Ook wordt de publicatie van het onderzoek gepresenteerd aan de Tweede Kamer.” Een ander doel dat gesteld was, was het vormgeven van duurzaamheid van projecten. Giltay Veth: “Ook daar zijn we in geslaagd. Er zijn overlevingsstrategieën in kaart gebracht die projecten helpen om duurzaam en effectief te zijn. Daarnaast was het onderzoek ook een uitdaging wat de samenwerking betreft. Het was een private en publieke samenwerking; het sociaal fonds Start Foundation en het ministerie voor Wonen Wijken en Integratie. Hierdoor wordt de boodschap in verschillende kringen verspreid. Met Nicis Institute en DGV Holding BV is de uitvoering door vier verschillende partijen gedaan, dit is vrij uniek.”

Ondernemingsgeest

Minister Van der Laan voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) heeft als reactie tijdens de conferentie aangegeven dat projecten niet alleen subsidie bij de overheid moeten zoeken maar ook bij andere instanties. Giltay Veth is het daar mee eens: “Een van de overlevingsstrategieën is dat projecten breder moeten kijken, niet alleen naar de overheid. Zo is er gebruik gemaakt van fondsen of het bedrijfsleven als sponsors van een project. Er zijn voorbeelden waarbij inkomsten vanuit markt zijn gewonnen door producties. Iets anders is dat er veel mogelijkheden zijn om met Hogescholen of Universiteiten nauwer samen te werken. Hier zijn vaak geldstromen beschikbaar voor onderzoek. Projecten die willen overleven hebben een ondernemende geest nodig als drijvende kracht. Niet alleen moeten projecten naar andere instanties dan de overheid kijken maar ook naar faciliteiten naast geld, zoals detacheringmogelijkheden van de sociale- en schuldhulpverlening.

Vervolg

Een eventueel vervolg van het project heeft Giltay Veth niet in eigen hand, dat ligt bij de opdrachtgevers. Duidelijk is in ieder geval dat er iets moet veranderen: dit blijkt behalve het onderzoek zelf ook uit verschillende andere publicaties en interviews. Giltay Veth zal ongetwijfeld een rol blijven spelen in het verspreiden van die boodschap: “Het is van groots belang dat projecten aandacht geven aan de sociale stijging van de onderkant van de samenleving, juist in tijden van crisis.”

Publicaties

Daniel Giltay Veth beveelt de volgende publicaties en rapporten aan.

  • D. Giltay Veth (2009). Het rendement van zalmgedrag. De projectencarrousel ontleed.
  • Stichting Eropaf! (2009). Manifest Eropaf! 2.0.
  • A.J. Kruiter e.a. (2008). De Rotonde van Hamed, Maatwerk voor mensen met meerdere problemen.
  • Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2008). De ontkokering voorbij, slim organiseren voor meer regelruimte.
  • G. Engbersen, E. Snel, J. de Boom (2007). Adoptie van wijken. Een evaluatie van ‘nieuwe coalities’ voor de Wijk.
  • Ministeries BZK, VROM en WWI (2007). Hoe maak je het verschil in de wijk? Aanbevelingen uit het project ‘Nieuwe Coalities voor de Wijk’.
  • VROM-raad advies 054 (2006). ‘Stad en Stijging, sociale stijging als leidraad voor stedelijke vernieuwing’.

Bron:

Nicis Institute, Philo van Lenning


Door: Philo,

15 dec 2009


Zoeken in de website: