“Specifiek integratiebeleid op gemeentelijk niveau moet gevoerd blijven worden”
“Ik hoop en denk dat gemeenten de power hebben om allianties met maatschappelijke organisaties te sluiten. Vaak kun je met hele pragmatische, lokale oplossingen al heel veel doen.” Aan het woord is Jaco Dagevos, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en auteur van de SCP-publicatie ‘Vluchtelingengroepen in Nederland. Over de integratie van Afghaanse, Iraakse, Iraanse en Somalische migranten’ van februari 2011. Nicis Institute sprak Dagevos over dit rapport en ontwikkelingen rondom vluchtelingengroepen.
Ontstaan van netwerken maakt veel mogelijk
Specifiek integratiebeleid wordt op dit moment in Nederland in hoog tempo afgebouwd. Samen met de huidige economische conjunctuur maakt dat de context ongunstig voor gemeenten om specifiek beleid te voeren. Dagevos: “Toch hoop en denk ik dat gemeenten de power hebben om allianties te sluiten. Het is heel belangrijk dat er netwerken ontstaan tussen gemeenten, vluchtelingenorganisaties, Vluchtelingenwerk, werkgevers en uitzendbureaus. Dan is er heel veel mogelijk. Een interessant initiatief vind ik bijvoorbeeld dat van een Somalische vluchtelingenorganisatie die op zaterdagen Nederlandse taalcursussen organiseert. Zij hebben weinig geld en kader. Dan is het interessant als een gemeente zegt: ‘we gaan op zoek naar een docent of een locatie.’ Wat volgens mij ook belangrijk is, benut die vluchtelingenorganisaties en ook Vluchtelingenwerk. Die hebben een vrij goed netwerk. Benut dat soort organisaties om bijvoorbeeld mensen te mobiliseren.”
Pragmatische opstelling is belangrijk
Algemeen integratiebeleid wijst Dagevos niet zonder meer af. “Als je met algemeen beleid problemen kunt oplossen moet je dat doen. Maar ik denk dat je met sommige vluchtelingengroepen, zoals de Somalische, te maken hebt met zulke specifieke problemen dat het eigenlijk niet realistisch is om te veronderstellen dat algemeen beleid voldoet. Wees daar dan ook pragmatisch in en verkondig niet dogmatisch dat we specifiek beleid niet meer voeren.”
Arbeidsmarktpositie van vluchtelingen is grootste probleem
De arbeidsmarktpositie van vluchtelingen blijkt het grootste probleem. Ondanks een vaak hoge opleiding, met name onder de Iraanse groep, is de aansluiting naar een baan op eigen niveau lastig. “De meeste vluchtelingen zijn als jongvolwassene naar Nederland gekomen, dan is het heel ingewikkeld om de taal goed te leren. In veel hooggekwalificeerde banen moet je gewoon goed Nederlands spreken. De gezondheidssituatie van vluchtelingengroepen, met name de problematische psychische gezondheid legt ook een drempel op de participatie. Ook buitenlandse diploma’s hebben invloed. Werkgevers kijken toch totaal anders naar een diploma behaald aan de Universiteit van Teheran dan aan de Universiteit Utrecht.” Een positief punt is dat 27 procent van de Iraniërs werkt op HBO- of WO-niveau, wat niet veel lager is dan bij autochtone Nederlanders.
Slechte arbeidsmarkt treft vluchtelingengroepen extra hard
Dagevos constateert dat juist in een periode van een economische conjunctuur die tegenzit en een daarmee samenhangende slechte arbeidsmarkt de vluchtelingengroepen extra hard geraakt worden. “Naarmate de concurrentie op de arbeidsmarkt heviger wordt, worden Nederlandse opleidingskwalificaties en Nederlandse werkervaring belangrijker. Discriminatie wordt heftiger omdat er veel strenger geselecteerd wordt. Bij laagconjunctuur zie je de werkloosheid bij migranten sneller oplopen. Een extra reden is dat het vaak gaat om mensen met een tijdelijke baan. Dan vlieg je er dus ook als eerste uit. Hun arbeidspositie is zwak en op een slechte arbeidsmarkt wordt die eigenlijk alleen maar zwakker.”
Optimisme over tweede generatie vluchtelingen
Dagevos is redelijk optimistisch over de tweede generatie Iraniërs, maar ook over de Afghanen en Irakezen. “De tweede generatie is nog heel erg jong. Hoe deze groep het op de arbeidsmarkt doet, daar kunnen we nog niet zoveel over zeggen, maar kinderen in het onderwijs doen het prima. Een hoogopgeleide eerste generatie migranten maakt dan echt verschil. En het zou best zo kunnen zijn, en dat is natuurlijk allemaal speculatief, dat de Iraanse tweede generatie het heel goed gaat doen en dat het met de integratie in 1 generatie gepiept is.”
Somalische groep voelt zich, ondanks achterstandspositie, fijn in Nederland
Alleenstaande jongeren zijn oververtegenwoordigd in vooral de Afghaanse en Somalische vluchtelingengroepen. Met name de Somalische groep zit volgens Dagevos in een lastige situatie, bij hen is de achterstand groot “Ze komen vaak als alleenstaande naar Nederland. In combinatie met een lage opleiding en trauma’s leidt dit tot een groep met veel problemen. Als je hun achtergrond bekijkt is dat ook niet zo gek. Het is een losse groep, ze missen het netwerk van een gezin.” Wel blijken Somaliërs erg gericht op Nederland en de Nederlandse taal en vinden ze het ook erg prettig om hier te wonen, ondanks hun slechte positie. Ook blijkt de ervaren gezondheid van deze groep hoog te zijn. “In de Somalische groep zit heel veel veerkracht. De migranten hebben nogal wat meegemaakt. Daar gaan ze op de een of andere manier goed mee om.”