Zonder de Polen was het niet gelukt
Midden- en Oost-Europese migranten wonen en/of werken in grote steden als Rotterdam en Den Haag, maar ook in kleinere gemeenten als Westland, Zundert, Katwijk en Hillegom. Wat betekent de aanwezigheid van de migranten voor de verschillende gemeenten in Nederland? Wat doen de migranten hier en wat zijn hun toekomstplannen? Resultaten van Nicis-onderzoek geven nieuwe inzichten. Jack Burgers, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, licht toe.
Veldonderzoek naar MOE-landers in 2009 gestart
Tussenstand van onderzoek
Inmiddels zijn er drie rapporten verschenen over de situatie van
Midden- en Oost-Europese migranten in Rotterdam, Den Haag en
West-Brabant (Breda, Moerdijk en Zundert); een mooi moment om de
tussenstand op te maken. Interessant zijn met name de kleinere
gemeenten, aangezien migratie lange tijd vooral een grootstedelijke
kwestie is geweest. Sinds de komst van de MOE-landers is dat dus
niet meer zo. In Zundert verblijven de meeste MOE-landers van
West-Brabant. In Moerdijk woont een minder groot aantal en
bovendien ook minder geconcentreerd dan in Zundert. Waar de
migranten in Moerdijk en Zundert vooral werkzaam zijn in agrarische
bedrijven, de bouw en de industrie, werken in Breda ook hoog
opgeleide arbeiders in de zakelijke dienstverlening. Hoofdauteur
van het rapport over deze gemeenten in West-Brabant, is hoogleraar
Jack Burgers.
Allereerst: denkt u ook, net als uw collega Engbersen, dat de MOE-landers hier slechts tijdelijk verblijven?
“De situatie en tijdsgeest is in elk geval wel totaal anders dan van de gastarbeiders uit Turkije en Marokko. Midden- en Oost-Europa is dichterbij, je kunt er met een beetje goede wil in een dag met de auto heenrijden. Bovendien zijn vluchten goedkoper en is migratie in het algemeen veel ‘mobieler’ geworden. Het is makkelijker om je te verplaatsen, en dus ook om in het weekend terug te gaan naar je familie in het land van herkomst. Door internet en sociale media kun je kunt continu in contact staan met familie en vrienden uit het herkomstland. Deze veranderingen maken het zowel makkelijker om weer naar eigen land terug te gaan als om hier te blijven; het kan dus twee kanten uit werken. Dat is wel even wat anders dan in het verleden. Als je als Nederlander naar Canada emigreerde, dan kon je hooguit brieven schrijven naar de achterblijvers. De emigratie was toen veel ingrijpender en definitiever.”
Voor de richting van het (integratie)beleid is het nogal cruciaal om te weten of de migranten hier permanent blijven of juist niet. Hoe moeten gemeenten hier dan op anticiperen?
“Het is inderdaad lastig dat we niet weten welke kant het op
gaat, maar desondanks doen we aanbevelingen waar de gemeenten veel
aan hebben. Het onderzoek geeft aan welke soorten migranten er zijn
en hoe gemeenten daarop in kunnen spelen. Twee dimensies staan
daarbij centraal: de betrokkenheid bij het herkomstland en de
betrokkenheid bij het bestemmingsland. Er is een groep met een
sterke binding met het eigen land in Midden- of Oost Europa en een
zwakke binding met Nederland. Dat zijn de typische
seizoensarbeiders die hier alleen komen om geld te verdienen en dan
weer terug gaan. Zij willen vooral niet te veel integreren. De
gemeente moet dat zo laten maar deze groep wel beschermen tegen
uitbuiting (wat veel voorkomt, zowel op het gebied van wonen als
werken, denk aan lage lonen, hoge huurprijzen en grote hoeveelheden
mensen in een pand), tijdelijke voorzieningen regelen en ervoor
zorgen dat de lokale bevolking zo min mogelijk last van hen heeft.
Zo heeft bijvoorbeeld de gemeente Zundert een alcoholverbod in de
openbare ruimte afgekondigd.
U noemde net Zundert, een relatief kleine gemeente in West-Brabant. Daar was blijkbaar een alcoholverbod nodig. Welke problematiek speelt daar?
“Zundert is een belangrijke aanlandplek geworden voor migranten
uit Midden- en Oost-Europa, vergelijkbaar met wat in het verleden
de Bijlmermeer was voor Surinamers. In een recreatiepark in Zundert
wonen op bepaalde momenten van het jaar 1.500 migranten. Op een
bevolking van Zundert is dat bijna vijf procent; dat is een hoger
percentage dan het afzonderlijke aandeel Turken, Marokkanen,
Surinamers of Antillianen in Nederland. Het dorp is er door
overvallen en heeft plotseling te maken gekregen met
grootstedelijke problematiek. Er zijn conflicten ontstaan in het
recreatiepark tussen arbeidsmigranten en autochtone bewoners die
daar vakantiehuisjes bezitten. Zij voelden zich bedreigd door de
grote groep nieuwkomers.”
“Daarnaast zijn er problemen ontstaan door de migranten die massaal
het centrum van Zundert in gaan en daar ook flink dronken. De
gemeente heeft inmiddels goede maatregelen getroffen om de orde op
straat te handhaven, zoals een alcoholverbod. In andere gemeenten
spelen overigens weer andere issues; zo zit Breda in een vrij
luxueuze situatie doordat er een relatief kleine groep MOE-landers
woont, verspreid over de stad, ook veel vrouwen en hoger opgeleiden
en werkzaam in de dienstensector. Breda heeft daardoor geen
overlast van de MOE-landers. Voor ons als onderzoekers was het
bovendien een uitdaging de mensen te vinden; we hebben een halve
dag rondgelopen om daar een Poolse winkel te vinden. Toen we die
eindelijk vonden, was hij gesloten.”
Werken de migranten in Breda maar ook Zundert en de andere gemeenten onder een bepaald contract?
“Zij werken voor een heel groot deel via een uitzendbureau. In
Zundert is dat zelfs vijftig procent. In Moerdijk is het maar een
kwart, daar wonen de migranten al wat langer, weten de weg beter,
hebben een groter netwerk. Werk is bij de migranten overigens nauw
verbonden met huisvesting. Huisvesting maakt vaak onderdeel uit van
arbeidsbeloning. Sommige uitzendbureaus maken daarmee slimme
constructies waardoor het een zeer lucratieve business is. Wij
hebben in interviews gevraagd aan de arbeidsmigranten: Hoeveel
betaal je aan huisvesting? Dan zeiden sommigen ‘het is gratis’,
maar dat is natuurlijk helemaal niet zo. Het is verdisconteerd met
het loon maar daar hebben zij zelf geen zicht op.”
“Grote Tuinders in het Westland bleken zelf een uitzendtak opgezet
te hebben vanwege het kostenaspect. Voor veel werkgevers met name
aan de onderkant van de arbeidsmarkt is geldbesparing de motivatie
om MOE-landers in te huren. Zo spraken we een tuinder die aangaf
dat je tegenwoordig een bedrijf van minimaal drie tot vijf hectare
moet hebben, anders red je het niet op den duur. Hij benadrukte dat
er de afgelopen jaren een enorm proces van schaalvergroting heeft
plaatsgevonden. Volgens hem was dat zonder de Polen niet gelukt.
Onder de Nederlanders was er geen personeel beschikbaar, of niet
voldoende gemotiveerd of niet geschikt voor dit soort werk. Dat
geeft aan dat de MOE-landers een zeer belangrijke functie hebben op
de arbeidsmarkt. Zij leveren een zeer essentiële bijdrage aan
bepaalde sectoren van de economie, met name in de land- en
tuinbouw.”
Tot slot, wat vindt u het meest interessante resultaat van het onderzoek tot nu toe?
“De enorme diversiteit onder de MOE-landers, zowel op het gebied
van de arbeidsmarkt als de woningmarkt. Zij werken in de agrarische
sector en de geavanceerde dienstverlening, zij wonen in grote
steden en kleine dorpen, in eengezinshuizen en in ‘woonunits’ op
het terrein van de werkgever. In dat opzicht wijken zij af van
eerdere migrantengroepen. Migratie is nu veel gedifferentieerder
dan voorheen. Voor het vervolgonderzoek is de vraag interessant hoe
de binding van de migranten met Nederland en het herkomstland zich
zal ontwikkelen.”
Bron:
Simone Ketelaars, City Journal, maart 2011