Direct naar Hoofdmenu / Zoekveld

Zonder de Polen was het niet gelukt

Midden- en Oost-Europese migranten wonen en/of werken in grote steden als Rotterdam en Den Haag, maar ook in kleinere gemeenten als Westland, Zundert, Katwijk en Hillegom. Wat betekent de aanwezigheid van de migranten voor de verschillende gemeenten in Nederland? Wat doen de migranten hier en wat zijn hun toekomstplannen? Resultaten van Nicis-onderzoek geven nieuwe inzichten. Jack Burgers, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, licht toe.

Veldonderzoek naar MOE-landers in 2009 gestart

Ongeveer anderhalf jaar geleden startte een veldwerkonderzoek naar de leefsituatie en arbeidsmarktpositie van arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa (de zogenoemde MOE-landers) onder leiding van Godfried Engbersen, net als Burgers hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. City Journal sprak toen met hem over de aanleiding en achtergrond van het onderzoek. “Niemand had ooit verwacht dat er zoveel Polen naar Nederland zouden komen”, zei hij. Engbersen legde uit dat ‘oude’ migratietheorieën uitgaan van historische lijnen, familienetwerken of een koloniale binding als verklaring waarom mensen zich in een bepaald land vestigen. Dat is bij deze migranten niet het geval. “Ook onverwacht is dat veel van deze migranten tijdelijk in Nederland verblijven. Bijna niemand gelooft dat. Mensen denken aan de Marokkaanse en Turkse migranten uit de jaren 60 en 70 die uiteindelijk zijn gebleven. Maar we hebben hier echt te maken met een nieuwe groep; veelal jonge mensen die met een open blik de wereld intrekken en tijdelijk in West-Europa komen werken”, aldus Engbersen aan de start van onderzoek in het najaar van 2009.

Tussenstand van onderzoek

Inmiddels zijn er drie rapporten verschenen over de situatie van Midden- en Oost-Europese migranten in Rotterdam, Den Haag en West-Brabant (Breda, Moerdijk en Zundert); een mooi moment om de tussenstand op te maken. Interessant zijn met name de kleinere gemeenten, aangezien migratie lange tijd vooral een grootstedelijke kwestie is geweest. Sinds de komst van de MOE-landers is dat dus niet meer zo. In Zundert verblijven de meeste MOE-landers van West-Brabant. In Moerdijk woont een minder groot aantal en bovendien ook minder geconcentreerd dan in Zundert. Waar de migranten in Moerdijk en Zundert vooral werkzaam zijn in agrarische bedrijven, de bouw en de industrie, werken in Breda ook hoog opgeleide arbeiders in de zakelijke dienstverlening. Hoofdauteur van het rapport over deze gemeenten in West-Brabant, is hoogleraar Jack Burgers.

Allereerst: denkt u ook, net als uw collega Engbersen, dat de MOE-landers hier slechts tijdelijk verblijven?

“Uit het onderzoek blijkt dat grofweg een derde van de migranten denkt terug te gaan naar het land van herkomst, een derde weet het niet en een derde verwacht vijf jaar of langer (dat betekent vaak voorgoed) in Nederland te blijven. Of de MOE-landers wel of niet weg zullen gaan, hangt af van verschillende factoren, namelijk: blijft er werk beschikbaar? Wat is de ontwikkeling in het eigen land? Zijn er interessantere derde landen in Europa waarnaar zij zullen uitwijken? Dat kan nog alle kanten op gaan. De migranten weten niet of zij hier zullen blijven, en daardoor weten wij het ook niet.”
“De situatie en tijdsgeest is in elk geval wel totaal anders dan van de gastarbeiders uit Turkije en Marokko. Midden- en Oost-Europa is dichterbij, je kunt er met een beetje goede wil in een dag met de auto heenrijden. Bovendien zijn vluchten goedkoper en is migratie in het algemeen veel ‘mobieler’ geworden. Het is makkelijker om je te verplaatsen, en dus ook om in het weekend terug te gaan naar je familie in het land van herkomst. Door internet en sociale media kun je kunt continu in contact staan met familie en vrienden uit het herkomstland. Deze veranderingen maken het zowel makkelijker om weer naar eigen land terug te gaan als om hier te blijven; het kan dus twee kanten uit werken. Dat is wel even wat anders dan in het verleden. Als je als Nederlander naar Canada emigreerde, dan kon je hooguit brieven schrijven naar de achterblijvers. De emigratie was toen veel ingrijpender en definitiever.”

Voor de richting van het (integratie)beleid is het nogal cruciaal om te weten of de migranten hier permanent blijven of juist niet. Hoe moeten gemeenten hier dan op anticiperen?

“Het is inderdaad lastig dat we niet weten welke kant het op gaat, maar desondanks doen we aanbevelingen waar de gemeenten veel aan hebben. Het onderzoek geeft aan welke soorten migranten er zijn en hoe gemeenten daarop in kunnen spelen. Twee dimensies staan daarbij centraal: de betrokkenheid bij het herkomstland en de betrokkenheid bij het bestemmingsland. Er is een groep met een sterke binding met het eigen land in Midden- of Oost Europa en een zwakke binding met Nederland. Dat zijn de typische seizoensarbeiders die hier alleen komen om geld te verdienen en dan weer terug gaan. Zij willen vooral niet te veel integreren. De gemeente moet dat zo laten maar deze groep wel beschermen tegen uitbuiting (wat veel voorkomt, zowel op het gebied van wonen als werken, denk aan lage lonen, hoge huurprijzen en grote hoeveelheden mensen in een pand), tijdelijke voorzieningen regelen en ervoor zorgen dat de lokale bevolking zo min mogelijk last van hen heeft. Zo heeft bijvoorbeeld de gemeente Zundert een alcoholverbod in de openbare ruimte afgekondigd.

Een andere groep heeft wel een sterke binding met Nederland en een zwakke met het land van herkomst. Dan is inburgeren wel degelijk van belang. Het lastige is alleen dat deze indeling niet statisch is; er zit voortdurend dynamiek en verandering in. Zo kan iemand bijvoorbeeld na verloop van tijd een sterkere binding krijgen met dit land door het vinden van  een Nederlandse partner.”

U noemde net Zundert, een relatief kleine gemeente in West-Brabant. Daar was blijkbaar een alcoholverbod nodig. Welke problematiek speelt daar?

“Zundert is een belangrijke aanlandplek geworden voor migranten uit Midden- en Oost-Europa, vergelijkbaar met wat in het verleden de Bijlmermeer was voor Surinamers. In een recreatiepark in Zundert wonen op bepaalde momenten van het jaar 1.500 migranten. Op een bevolking van Zundert is dat bijna vijf procent; dat is een hoger percentage dan het afzonderlijke aandeel Turken, Marokkanen, Surinamers of Antillianen in Nederland. Het dorp is er door overvallen en heeft plotseling te maken gekregen met grootstedelijke problematiek. Er zijn conflicten ontstaan in het recreatiepark tussen arbeidsmigranten en autochtone bewoners die daar vakantiehuisjes bezitten. Zij voelden zich bedreigd door de grote groep nieuwkomers.”
“Daarnaast zijn er problemen ontstaan door de migranten die massaal het centrum van Zundert in gaan en daar ook flink dronken. De gemeente heeft inmiddels goede maatregelen getroffen om de orde op straat te handhaven, zoals een alcoholverbod. In andere gemeenten spelen overigens weer andere issues; zo zit Breda in een vrij luxueuze situatie doordat er een relatief kleine groep MOE-landers woont, verspreid over de stad, ook veel vrouwen en hoger opgeleiden en werkzaam in de dienstensector. Breda heeft daardoor geen overlast van de MOE-landers. Voor ons als onderzoekers was het bovendien een uitdaging de mensen te vinden; we hebben een halve dag rondgelopen om daar een Poolse winkel te vinden. Toen we die eindelijk vonden, was hij gesloten.”

Werken de migranten in Breda maar ook Zundert en de andere gemeenten onder een bepaald contract?

“Zij werken voor een heel groot deel via een uitzendbureau. In Zundert is dat zelfs vijftig procent. In Moerdijk is het maar een kwart, daar wonen de migranten al wat langer, weten de weg beter, hebben een groter netwerk. Werk is bij de migranten overigens nauw verbonden met huisvesting. Huisvesting maakt vaak onderdeel uit van arbeidsbeloning. Sommige uitzendbureaus maken daarmee slimme constructies waardoor het een zeer lucratieve business is. Wij hebben in interviews gevraagd aan de arbeidsmigranten: Hoeveel betaal je aan huisvesting? Dan zeiden sommigen ‘het is gratis’, maar dat is natuurlijk helemaal niet zo. Het is verdisconteerd met het loon maar daar hebben zij zelf geen zicht op.”
“Grote Tuinders in het Westland bleken zelf een uitzendtak opgezet te hebben vanwege het kostenaspect. Voor veel werkgevers met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt is geldbesparing de motivatie om MOE-landers in te huren. Zo spraken we een tuinder die aangaf dat je tegenwoordig een bedrijf van minimaal drie tot vijf hectare moet hebben, anders red je het niet op den duur. Hij benadrukte dat er de afgelopen jaren een enorm proces van schaalvergroting heeft plaatsgevonden. Volgens hem was dat zonder de Polen niet gelukt. Onder de Nederlanders was er geen personeel beschikbaar, of niet voldoende gemotiveerd of niet geschikt voor dit soort werk. Dat geeft aan dat de MOE-landers een zeer belangrijke functie hebben op de arbeidsmarkt. Zij leveren een zeer essentiële bijdrage aan bepaalde sectoren van de economie, met name in de land- en tuinbouw.”

Tot slot, wat vindt u het meest interessante resultaat van het onderzoek tot nu toe?

“De enorme diversiteit onder de MOE-landers, zowel op het gebied van de arbeidsmarkt als de woningmarkt. Zij werken in de agrarische sector en de geavanceerde dienstverlening, zij wonen in grote steden en kleine dorpen, in eengezinshuizen en in ‘woonunits’ op het terrein van de werkgever. In dat opzicht wijken zij af van eerdere migrantengroepen. Migratie is nu veel gedifferentieerder dan voorheen. Voor het vervolgonderzoek is de vraag interessant hoe de binding van de migranten met Nederland en het herkomstland zich zal ontwikkelen.”

Bron:

Simone Ketelaars, City Journal, maart 2011

 


09 aug 2011


Zoeken in de website: